banner1banner2banner3banner4

TL-armaturen

Een  tl-buis kan niet zo maar op het lichtnet aangesloten worden. Daarvoor heeft u een aantal dingen nodig: een tl-starter bestaande uit een neonbuis met twee bimetaalelektroden en een ontstoringscondensator en een smoorspoel ofwel voorschakelapparaat.
Beide zijn doorgaans verwerkt in de armatuur waarin de tl-buis geplaatst moet worden.

Als er spanning op een met starter en voorschakelapparaat geschakelde tl-buis gezet wordt, komt er een stroom door het neonbuisje (niet de lamp zelf) met bimetaal. Hierdoor begint het gas te gloeien en worden de bimetaalelektroden warm en trekken tegen elkaar aan, waarmee het neonlampje kortgesloten (en dus gedoofd) wordt. Nu gaat er een grote stroom door de gloeidraden in de buis lopen. De gloeidraden dienen om de emissiepasta op te warmen. Het neonlampje in de starter koelt af en de kortsluiting wordt weer verbroken. Ten gevolge van de zelfinductie van de smoorspoel in het voorschakelapparaat ontstaat er op dat moment van uitschakelen een spanningspiek van ongeveer 1000 V die de tl-buis doet ontbranden. Eenmaal ontstoken blijft de tl-buis branden, daar de elektroden door het ionenbombardement van de gasontlading en de stroom die door de elektroden loopt op temperatuur blijven. De spanning over de starter is nu zoveel lager dat die niet meer reageert.

Ontsteekt de tl-buis niet, dan wordt het proces herhaald. Een defecte tl-buis zal het starten steeds laten herhalen (knipperen, ook wel flikkeren genoemd), wat uiteindelijk ook tot een defect voorschakelapparaat en/of starter kan leiden. Als de starter stuk is, blijft de buis aan de einden rood gloeien. Is de tl-buis stuk, dan knippert de tl-buis of bij elektrodebreuk doet de tl-buis niets.

Tegenwoordig worden er vaak elektronische voorschakelapparaten toegepast. Deze zijn lichter en geven een beter rendement en flikkervrije ontsteking. Zo een apparaat zorgt zowel voor de start van de lamp als voor de stroombegrenzing van de werkende lamp, men noemt deze ook wel hoogfrequent armaturen.

Een elektronisch voorschakelapparaat voedt een fluorescentielamp met een relatief hoge frequentie, het liefst boven de 10.000 Hz.  De lamp ontsteekt dan zonder flikkeren. Elektronische voorschakelapparaten hebben minder verliezen dan conventionele voorschakelapparaten, waardoor het rendement toeneemt (minder vermogens opname bij dezelfde licht opbrengst). Ook de levensduur van de lamp is groter. Een ander voordeel is dat er geen noemenswaardige lichtvariaties, meestal aangeduid als lichtflikker optreden. Daardoor worden stroboscopische effecten voorkomen die in sommige situaties optreden bij tl-buizen welke gevoed worden door een conventioneel voorschakelapparaat. De voorschakelapparaten zijn licht en hebben een lange, slanke vorm, waardoor zeer compacte armaturen gebouwd kunnen worden.

De lichtopbrengst van een tl buis  is onmiddellijk na inschakelen nog niet optimaal. Gedurende de eerste paar minuten neemt de hoeveelheid licht nog sterk toe. Hoe meer fosforpoeders een tl buis bevat, hoe langer de inbrandtijd is die de buis nodig heeft.  De originele volspectrum daglichtlampen van True-Light hebben 14 fosforpoeders ten opzichte van de standaard 3- fosforpoeder buizen en  hebben daarom bij het voor het eerst opstarten wel 5 minuten nodig om op kleur te komen.